de stad


16
Apr 11

Enquêtes

De gemeente Amsterdam stuurde me een brief waarin ze mij vroeg om mijn mening. ‘De gemeente Amsterdam wil graag weten hoe u denkt over de leefbaarheid van uw buurt en over hoe buurtgenoten met elkaar omgaan,’ stond er. De laatste tijd krijg ik opvallend veel van dat soort verzoeken: van onzekere bedrijven die willen weten wat ik van ze vind. Als je dat nu nóg niet weet, dan hoef je het me ook niet te vragen, denk ik dan, maar dat terzijde.
In plaats van het verzamelen en analyseren van al die gegevens zou ‘drs. Jeroen Slot, Hoofd Onderzoek en Beleidsinformatie O+S’ misschien eens een wandelingetje moeten komen maken door mijn buurt. Of, beter nog, mijn geveltuintje komen harken.
Mijn geveltuintje is wat je noemt een ambitieus geveltuintje. Ik zou zelfs wel zo ver willen gaan het een voortuin te noemen, maar omdat dat nodeloos pretentieus is, doe ik dat niet. Verdeeld over twee uitsparingen in de stoep (door sommige mensen, zoals gemeente-ambtenaren, ook wel ‘het trottoir’ genoemd) staan enkele gezellige (vinden wij), best wel grote (feit) planten. Tussen die uitsparingen in staan verder ook nog drie plantenbakken met blije eenjarige plantjes, van die dingen met gekleurde bloemetjes. De plantenbakken zelf zijn niet heel erg mooi, maar dat vinden wij niet onze schuld, want eerst hadden we wél mooie, maar die waren binnen enkele weken verdwenen.
Bij het aanharken van voornoemde gevelversiering trof ik eerder dit weekend achtereenvolgens aan: een pakje fruitsap (Euroshopper), een flesje appelsap van een obscuur merk met iets slijmerig bruins erin, een pakje Marlboro (leeg), een pakje Camel Light (leeg), een gebruikt condoom, balletjes kauwgum (van de buurman die ze daar uitspuugt wanneer hij denkt dat we niet thuis zijn), een hondendrol (van de buurvrouw die haar hondje daar laat poepen wanneer ze denkt dat we niet thuis zijn) en verder nog wat handige papiertjes en plastic zakjes van andere vriendelijke buurtbewoners (bedankt! altijd handig!).
Nu heb ik na de middelbare school nooit meer een Frans boek gelezen, maar met de brief van de gemeente in mijn handen (‘Het invullen duurt tussen de 15 en 20 minuten’), moest ik plotseling denken aan monsieur De la Bruyère, de onvergetelijke leraar Frans van wie we Candide moesten lezen en dat had als moraal dat je niet moet neuzelen, maar je tuintje aanharken. Zoiets. Ik geloof dat ik eindelijk begrijp waar hij het over had.


8
Apr 11

Een gaai die miauwt

Vanaf het randje van de veranda zat ik wat voor me uit te staren naar de tuin, naar de magnolia’s, prunussen (prunusen? pruni?) en camelia’s die ineens knallend in bloei staan. Een Vlaamse gaai hakte fanatiek in op de laatste pindaslinger. Het is immers lente en dan houden de meeste mensen op met het voeren van de vogels – als ik een Vlaamse gaai was, zou ik er ook nog even fanatiek tegenaan gaan, zeker met het broedseizoen in zicht en bij enkele vogelsoorten al in volle gang.
Vanaf de plaats waar de gaai zich uitleefde klonk een luid, enigszins klaaglijk gemiauw. Het klonk een beetje als het gemiauw van onze katten wanneer het buiten regent en ze vanachter het raam moeten toezien hoe sappige dikke duiven onbedreigd voorbij scharrelen.
Met mijn ogen zocht ik naar de kat, maar zag er geen.
Weer klonk het gemiauw. Een meter of wat verderop zat onze eigen poes onder de magnolia, sloom en met boven- en onderkaak stevig op elkaar geklemd, voor zich uit te staren, niet de dader te zijn.
Pas bij de derde miauw werd me, tot mijn opperste verbazing, duidelijk dat het de gaai zélf was. Opgegroeid temidden van de bedreigingen en daarmee gepaard gaande geluiden van een stedelijke binnentuin, had het beest die aangewend ten behoeve van een meesterlijke strategie: if you can’t beat them, join them. Ik wist dat het bestond (zie bijvoorbeeld het ongelooflijke filmpje onderaan deze post), maar ik had het nog nooit eerder zelf meegemaakt. Bizar.
Eenmaal verzadigd vloog de gaai er vandoor. De poes onder de magnolia likte bedaard haar voorpoten. Hoog vanuit de boom klonk het miauwen van een kat.


30
Mar 11

Op het terras

Je hebt van die dagen dat alles lijkt te kloppen. Zo ondervond althans de mevrouw die het terras op kwam lopen, de lege tafel naast ons zag en verheugd uitriep: ‘Nee maar! Ik had precies twee lege stoelen nodig, en hier stáán twee lege stoelen! Fantastisch!’ Wanneer de zon schijnt en het terras zit vol en iemand kan zich zo verheugen over een buitenkansje als twee lege stoelen, dan kun je niet anders dan diegene feliciteren en dat is dan ook wat wij deden.
Aan de andere kant naast ons zat een groep jonge studenten, of misschien nog scholieren in hun examenjaar, dat was niet helemaal goed te zeggen. Eén van de jongens in de groep vroeg om deodorant. Toen niemand dat bij zich bleek te hebben, haalde hij een flesje eau de toilette uit zijn tas en spoot dat op. Een penetrante zoete geur verspreidde zich over het terras en vermengde zich met de geuren van lente in een stad: die unieke combinatie van ontluikend groen, uitlaatgassen en schuimend witbier.
Ter linkerzijde was inmiddels de dame samen met een tafelgenote neergestreken op de twee vrije stoelen en koesterde zich spinnend van tevredenheid in de zon. Onder de tafel voor hen lag een bescheiden hondenmand met daarin een witte poedel. Alom werden gesprekken gevoerd op gedempte toon, op dat van de groep jongens na, want die hadden het – hoe kan het ook anders, eind maart – over meisjes. En over voetbal. En over voetbal en meisjes. En over meisjes die naar voetbal komen kijken.
‘Ha ha,’ riep een van de jongens. ‘Je speelt in het vijfde, man. Meisjes komen écht niet kijken naar jongens die in het vijfde spelen.’ Iedereen moest hard lachen. De jongen die in het vijfde speelde probeerde er nog iets van te maken, maar hij was kansloos. ‘Het vijfde,’ schamperde een ander. ‘Het vijfde speelt zondagochtend om negen uur. Je kunt het vergeten man.’ Waarmee een hardhandig eind kwam aan de amoureuze plannen van de jongen die in het vijfde speelde. Wellicht heeft hij meer succes in april.


9
Mar 11

Als je de stad binnenrijdt

De schitterende nieuwe dieren- en spoedkliniek staat pal naast metrostation Isolatorweg in stadsdeel Westpoort, het stadsdeel dat eigenlijk geen stadsdeel mag heten en waar de stad – zowel letterlijk als figuurlijk – ophoudt: zelfs de metro bereikt hier zijn eindpunt.
In Westpoort wonen geen mensen. Het is een industriegebied, één van de drie grootste van Nederland, door de gemeente zelf trots bestempeld als ‘economische motor van Amsterdam’. Overdag zitten de mensen er in kantoren en is het er uitgestorven. ‘s Avonds zitten de kantoormensen in hun eigen huizen en is het er uitgestorven. De enige zielen die je er tegenkomt zijn reizigers, op weg van of naar de metro of hun auto.
Voor parkeerbeheer moet het dan ook een dankbaar gebied zijn, Westpoort. Veel auto’s. Weinig mensen om te komen protesteren. En veel te bekeuren, in een omgeving die er zo desolaat uitziet dat je er gewoonweg geen parkeerautomaat verwacht.
Zo kwam het dan ook dat we al de eerste keer, bij ons eerste bezoek aan de kliniek, verrast waren met een boete. 52 euro wegens geen kaartje. Wisten wij veel.
Maar goed. Een gewaarschuwd mens telt voor twee en daarom hadden we deze tweede keer de verschuldigde dertig cent netjes vooraf voldaan, terwijl we wachtten tot onze hond bijkwam uit de narcose.
De vrouw bij de receptie was nog níet gewaarschuwd. Haar kat had zojuist zijn laatste prikje gekregen en zou, in tegenstelling tot onze hond, níet meer mee naar huis gaan. Terwijl ze naar buiten staarde, zag ze ze lopen. Bij haar auto stilstaan. En haar kaartje was enkele minuten geleden verlopen.
Onmiddellijk rende ze naar buiten, achter de parkeerwachten aan, maar die zetten er eveneens de sokken in. Ze riep ze na. Ze had net haar kat laten inslapen! Ze had netjes betaald!
De parkeerwachten renden echter snel weg en verdwenen om de hoek. Op de boete onder de ruitenwisser – 52 euro – stond: ‘NIETS (GEEN KAARTJE OID)’.
Toen geliefde en ik even later langsreden, stond de vrouw op de middenberm van de weg. Ze huilde, heel hard. Ze zwaaide met haar parkeerkaartje en riep dat het onrecht was. Dat haar kat dood was. Dat die mannen niet eens even waren blijven staan om haar verhaal te horen.
Ik moest denken aan het boek dat ik laatst heb gelezen. Als je de stad binnenrijdt, van Rob Waumans. Dat boek gaat over een emotioneel gestoorde parkeerwacht die er bevrediging in vindt iedere dag zoveel mogelijk mensen te beboeten, het liefst stiekem, want dan schiet het zo lekker op. Ik had het eerlijk gezegd een beetje een ongenuanceerd verhaal gevonden. Parkeerwachten, zo leek me, hebben het al moeilijk genoeg bij de uitoefening van hun beroep zónder dat er ook nog eens karikaturen van ze worden gemaakt. Maar bij de gedachte aan twee parkeerwachten die wéghollen als er een vrouw huilend een dierenkliniek uit komt rennen, roepend dat haar kat dood is, dacht ik: het was terecht. Het is volkómen terecht dat die gasten worden beschimpt en bespot. Rob heeft dat heel goed gezien.
Ze maken het ernaar.


1
Mar 11

Vogels die vlees eten

Achterin onze tuin staat een boom, een nogal hoge. Dat is niet heel ongewoon in ons stadsdeel, dat tot voor kort de naam Bos en Lommer droeg. Ook niet ongewoon is dat er van tijd tot tijd vogels in die boom neerstrijken. Soms om wat op insecten te jagen, zoals die gezellige grote bonte specht. Soms om een beetje te knuffelen, zoals de Turkse tortels – met zijn tweetjes wiebelend op een diep doorbuigende tak. De rest komt er vooral om een beetje uit te rusten.
Róófvogels zien we hier eigenlijk nooit. Daarom was het dan ook vrij bijzonder (al schijnt het steeds normaler te worden) dat er deze middag, de eerste van maart, hoog in onze boom een sperwer neerstreek. Tevreden zat hij op een dikke tak en nuttigde zijn lunch. Die bestond uit vlees.
Nu is de term ‘roofvogel’ er één die ik tot voor kort vooral associeerde met grote, statige vogels die met uitgestrekte vleugels van een indrukwekkende spanwijdte rondcirkelen over weilanden. Een vrij romantisch dier, eigenlijk. Het lekkere hapje waar ze naar op zoek zijn, was voor mij niet meer dan een abstract concept, zo abstract als de muizen en vogels waar onze katten ‘s nachts op jagen. Zolang het zich allemaal buitenshuis afspeelt, is er niks aan de hand en kunnen wij rustig slapen.
Kijkend nu naar hoe de sperwer ingewanden uit een dood vogeltje trok en ze met smaak oppeuzelde, moest ik ineens weer denken aan de verhalenbundel Vogels die vlees eten, waarmee Thijs de Boer vorig jaar debuteerde. Een duistere maar briljante bundel die destijds behoorlijk doorwerkte in mijn kop vanwege de grimmigheid van de verhalen, iets waarin ik overigens niet de enige was.
De titel van die bundel werd nu ineens een stuk tastbaarder.
De sperwer schijnt trouwens een van de grootste roofvijanden te zijn van de huismus. Wij zijn gek op huismussen. De sperwer dus ook, zo bleek maar weer eens.
De kat lag ondertussen in zijn mandje bij de kachel en sliep, zich van geen kwaad bewust.