dieren


30
May 11

Bellen blazen

Op de uitlaatplaats aan het water was het druk, want het was warm en dan moet er gezwommen worden. De hele weg ernaartoe was de hond niet vooruit te branden geweest, maar nu stond ze tevreden tot aan haar buik in het ondiepe gedeelte langs de oever, pootje te baden.
Om haar heen renden natte honden achter elkaar en achter stokken en balletjes aan, geroutineerd in het water geworpen door onvermoeibare eigenaren. Een witte boxer met grijze vlekken sjouwde trots rond met een voetbal in zijn bek. Zijn baas, een ontspannen type in korte broek, probeerde hem ervan te overtuigen dat hij de bal los moest laten, maar dat deed hij niet.
In plaats daarvan draafde de boxer naar de hond, die al enige tijd bezig was om met haar kop onder water een imaginair object van de vijverbodem op te graven. De hond geeft niet om ballen, en ook niet om stokken. Apporteren doet ze ook niet. De hond baadt. Zo nu en dan kwam ze even boven, om adem te halen. Daarna stak ze haar kop weer in het water en blies bellen.
Bij haar aangekomen boog de boxer zijn kop en liet de bal los. Verbaasd keek de hond op. Ze keek naar de boxer en naar de dobberende bal en stak vervolgens haar hoofd weer onder water. De boxer wierp een verbaasde blik naar zijn baas. Honden kunnen dat, beter nog dan katten. Wellicht omdat katten zich minder vaak over dingen verbazen, ik weet het niet. Maar wel moest ik er van denken aan het gezicht van Midas Dekkers, toen hij, enige tijd geleden alweer, in De Wereld Draait Door vertelde over hoe, ondanks zijn hartgrondige hekel aan honden, zijn hart opengaat bij de aanblik van een hond die met wapperende oren uit het raam hangt van een rijdende auto (6:16 in het onderstaande filmpje).
Terwijl daar aan de oever de lucht tussen beide dieren nog zachtjes nazinderde van een onuitgemaakt drama – frustratie bij de één, verveelde onverschilligheid bij de ander – rende een zwarte flatcoat retriever het water in en snaaide de bal weg, vlak onder de neus van de boxer vandaan.
Een hond blijft, uiteindelijk, natuurlijk toch gewoon een hond.


8
Apr 11

Een gaai die miauwt

Vanaf het randje van de veranda zat ik wat voor me uit te staren naar de tuin, naar de magnolia’s, prunussen (prunusen? pruni?) en camelia’s die ineens knallend in bloei staan. Een Vlaamse gaai hakte fanatiek in op de laatste pindaslinger. Het is immers lente en dan houden de meeste mensen op met het voeren van de vogels – als ik een Vlaamse gaai was, zou ik er ook nog even fanatiek tegenaan gaan, zeker met het broedseizoen in zicht en bij enkele vogelsoorten al in volle gang.
Vanaf de plaats waar de gaai zich uitleefde klonk een luid, enigszins klaaglijk gemiauw. Het klonk een beetje als het gemiauw van onze katten wanneer het buiten regent en ze vanachter het raam moeten toezien hoe sappige dikke duiven onbedreigd voorbij scharrelen.
Met mijn ogen zocht ik naar de kat, maar zag er geen.
Weer klonk het gemiauw. Een meter of wat verderop zat onze eigen poes onder de magnolia, sloom en met boven- en onderkaak stevig op elkaar geklemd, voor zich uit te staren, niet de dader te zijn.
Pas bij de derde miauw werd me, tot mijn opperste verbazing, duidelijk dat het de gaai zélf was. Opgegroeid temidden van de bedreigingen en daarmee gepaard gaande geluiden van een stedelijke binnentuin, had het beest die aangewend ten behoeve van een meesterlijke strategie: if you can’t beat them, join them. Ik wist dat het bestond (zie bijvoorbeeld het ongelooflijke filmpje onderaan deze post), maar ik had het nog nooit eerder zelf meegemaakt. Bizar.
Eenmaal verzadigd vloog de gaai er vandoor. De poes onder de magnolia likte bedaard haar voorpoten. Hoog vanuit de boom klonk het miauwen van een kat.


1
Mar 11

Vogels die vlees eten

Achterin onze tuin staat een boom, een nogal hoge. Dat is niet heel ongewoon in ons stadsdeel, dat tot voor kort de naam Bos en Lommer droeg. Ook niet ongewoon is dat er van tijd tot tijd vogels in die boom neerstrijken. Soms om wat op insecten te jagen, zoals die gezellige grote bonte specht. Soms om een beetje te knuffelen, zoals de Turkse tortels – met zijn tweetjes wiebelend op een diep doorbuigende tak. De rest komt er vooral om een beetje uit te rusten.
Róófvogels zien we hier eigenlijk nooit. Daarom was het dan ook vrij bijzonder (al schijnt het steeds normaler te worden) dat er deze middag, de eerste van maart, hoog in onze boom een sperwer neerstreek. Tevreden zat hij op een dikke tak en nuttigde zijn lunch. Die bestond uit vlees.
Nu is de term ‘roofvogel’ er één die ik tot voor kort vooral associeerde met grote, statige vogels die met uitgestrekte vleugels van een indrukwekkende spanwijdte rondcirkelen over weilanden. Een vrij romantisch dier, eigenlijk. Het lekkere hapje waar ze naar op zoek zijn, was voor mij niet meer dan een abstract concept, zo abstract als de muizen en vogels waar onze katten ‘s nachts op jagen. Zolang het zich allemaal buitenshuis afspeelt, is er niks aan de hand en kunnen wij rustig slapen.
Kijkend nu naar hoe de sperwer ingewanden uit een dood vogeltje trok en ze met smaak oppeuzelde, moest ik ineens weer denken aan de verhalenbundel Vogels die vlees eten, waarmee Thijs de Boer vorig jaar debuteerde. Een duistere maar briljante bundel die destijds behoorlijk doorwerkte in mijn kop vanwege de grimmigheid van de verhalen, iets waarin ik overigens niet de enige was.
De titel van die bundel werd nu ineens een stuk tastbaarder.
De sperwer schijnt trouwens een van de grootste roofvijanden te zijn van de huismus. Wij zijn gek op huismussen. De sperwer dus ook, zo bleek maar weer eens.
De kat lag ondertussen in zijn mandje bij de kachel en sliep, zich van geen kwaad bewust.


11
Feb 11

Tuttel

Halverwege het park lag hij, midden op straat. Ooit was hij van iemand geweest, een kind, dat het had liefgehad, het overal mee naartoe had gesleept, het had geknuffeld, geknepen, erop gebeten en gesabbeld. Tot dat ene dramatische moment, dat ongemerkt voorbij was gegaan. Een moment van onoplettendheid, achterop de fiets, of voorop. Moeder had haast, trapte stevig door. Kindje koesterde zich in de warmte van dat zwoegende lijf, vlak tegen zich aan, voelde hoe de wind door zijn haren streek, vergat de rest, vergat dat wat hem het liefste was stevig vast te houden.
Pas later, thuis, werd het verlies duidelijk. Er werd gehuild en gesust, getroost en gestampvoet, moeder stapte nog op de fiets, legde de route opnieuw af, in tegengestelde richting. Maar in de tussentijd was het verloren ding al gevonden, door een hond. En daarna door een andere hond. En toen nog een keer. Het raakte gescheurd en verminkt, verloor de inhoud van zijn buik, een been.
Maar erger dan dat verloor het de status van meest geliefde vriend en werd weer tot ding. Een Pinokkio van zacht katoen, van waaruit de ziel die hem eerder uit liefde was toegedicht, geleidelijk aan, met het verstrijken van de tijd verdween. Het regende, het sneeuwde, het regende weer, het werd droog. En op het fietspad lagen nog slechts de resten van wat ooit iemands grote liefde was geweest.


29
Jan 11

In het park

Zaterdagmiddag in het park, nog altijd koud, maar een plaatje. En druk: het park was vol fietsers en hardlopers die de kou trotseerden en verder ook veel mensen met ballen, met honden en met kinderen, strak ingepakt in wandelwagens, glazig starend naar de lucht.
Iets voorbij de tennisbanen was het fietspad onder het viaduct aan beide kanten afgesloten. Een jonge vrouw op een bakfiets fietste over het voetpad, passeerde daarbij rakelings een man met twee grote, witte pluizige honden en riep vervolgens verontwaardigd dat hij uit moest kijken. De man riep terug dat ze zelf uit moest kijken, stomme k*t met je grote bek, en de vrouw draaide zich op haar bakfiets om in een beweging die deed vermoeden dat ze aan yoga deed, zo lenig, en gilde dat verd*mme het hele park al voor die k*thonden was, en de man wist weinig anders te verzinnen dan heel veel verschillende woorden voor hetzelfde ding en ook toen de vrouw allang was doorgefietst, bleef hij nog een hele tijd doorschelden, net zolang tot een van zijn honden, inmiddels losgegespt, de bosjes indook en hij zijn woede daarop kon richten.
Op dat moment galoppeerde er de spreekwoordelijke derde hond, een lichtblonde labrador, op volle vaart langszij. Heel in de verte hoorden we een mannenstem vertwijfeld roepen. Wij riepen ook, want deze scène kon maar op één manier eindigen, een manier die iedere hondenbezitter kent.
De hond galoppeerde om het hek heen, recht het plantsoen aan de overkant van het fietspad in, waar een echtpaar nogal ongeïnspireerd grote stukken oud stokbrood stond af te breken en met een zwieper het gras op te keilen. Maar dat ongeïnspireerde, dat maakte die hond niks uit. Die was helemaal door het dolle, zeker toen de stukken brood maar bleven komen, want het kon uiteindelijk niemand echt iets schelen dat die hond natuurlijk helemaal geen brood mocht.