Sorry, ik was even weg, de laatste tijd. Zoals dat wel eens gebeurt, met mensen, met bloggers.
Het is niet zo dat ik helemaal niets heb gedaan, hoor. Er waren activiteiten. Zo heb ik twee sjaals gebreid, trompet leren spelen – kan het nog steeds niet -, op mijn racefiets gefietst, gezwommen, met de hond gewandeld. Veel gewandeld.
Ook heel leuk allemaal.
De afgelopen week was ik in Stoupa. Stoupa is een klein dorpje aan de kust van de Griekse Peloponnesos – Pelopónnesos, volgens de juffrouw van het reisbureau, dus met de klemtoon op de o, en dan met een korte è, al heb ik het op school anders geleerd en zal ik altijd Peloponnésos blijven zeggen. Met een langgerekte ee.
Maar goed.
Stoupa.
In Stoupa heb je twee kleine supermarkten, een fietsverhuur en een in de brochure van het reisbureau als ‘gezellig’ omschreven boulevard. Dat laatste klopt. De boulevard van Stoupa is keigezellig, met enkele bescheiden tavernes en restaurantjes, flanerende mensen en uitzicht op spectaculaire zonsondergangen boven de kleine baai.
Aan diezelfde baai ligt een klein strandje, iets terzijde van het grote strand. Aan dit kleine strandje brachten wij de meeste van onze dagen in Stoupa door, temidden van voornamelijk Engelse pensionado’s. Mannen en vrouwen met dikke buiken en forse, door het leven getekende boezems, die stilzwijgend lagen te bakken in de zon. Op die leeftijd is huidkanker misschien niet meer zo’n issue, dachten wij, en genoten van de Britse stilte.
Op de voorlaatste dag van ons verblijf was er iets veranderd op het strandje. Dezelfde oranje strandstoelen, dezelfde strooien parasols, dezelfde Britse boezems onbeschermd reuzelend in de verzengende hitte, het was heel even lastig om er de vinger achter te krijgen.
Het waren de kinderen. Temidden van de pensionado’s had zich een jong Italiaans gezin geïnstalleerd en voerde er op luide toon een conversatie die voor een ongeoefend oor wellicht zou kunnen klinken als ruzie, maar in werkelijkheid niet meer was dan een ontspannen gesprek.
Aan de waterlijn speelden ondertussen hun kinderen, twee kleine jongetjes.
De kleinste hurkte in het ondiepe water en keek verbaasd naar hoe zijn plas onder water veranderde van een straal in een wolkje.
Even verderop doopte het oudste jongetje zijn petje in het water. Hij schepte het vol, keek er een ogenblik naar en zette het vervolgens op zijn hoofd, waardoor het water aan alle kanten langs zijn gezicht en lichaam droop. Hij gilde het uit van de pret en deed het nog een keer. En nog een keer. En nog een keer.
Je zou kunnen zeggen dat er iets wezenlijks was veranderd, daar aan het strand.
Misschien werd het zo onderhand tijd om naar huis te gaan.
geluk
26
Jun 11
Stoupa
29
Nov 10
De eerste échte sneeuw
Ik liep door de stad, op zoek naar mijn fiets. Ik was er vrij zeker van dat hij was gestolen, zoals dat gaat, met fietsen in de stad. Op een middag, ergens in de afgelopen week, stond hij plotseling niet meer in het rek voor de deur. En aangezien ik doorgaans – dacht ik – niet iemand ben die zomaar ergens een fiets vergeet, leek diefstal mij een vrij redelijke conclusie.
Maar toch. Helemaal in lijn met het grootstedelijke adagium ‘hoe onaantrekkelijker, hoe minder diefstalgevoelig’ bezat ik een klassieke veeldehands roestbak. Zonder lamp, zonder ‘sjieke’ handremmen, zonder handvátten zelfs, maar mét loshangend spatbord en in ieder wiel een bochel. ‘Wie zou díe fiets nou willen stelen?’ stelde geliefde.
Precies.
En zo kwam het dat ik nu door de stad liep, twijfelend aan mezelf, fietsenrekken afspeurend bij locaties waarvan ik me meende te herinneren dat ik er ergens in de afgelopen weken was geweest. Kiosk, boekhandel, bloemist, supermarkt, bagelshop, stamkroeg.
Geen fiets.
De laatste optie was de espressobar in het park. Vergeleken met de stad die ik zojuist verlaten had, was het daar, in het park, oorverdovend stil, helemaal niet zoals in het weekend: geen hardlopers, geen wandelaars, geen jonge gezinnetjes met bemodderde labradors. Slechts één enkele fietser, in hoog tempo op weg naar ergens anders, en een wandelaar met een onzeker hondje dat trillend op het pad bleef staan toen ik passeerde.
Verder helemaal niemand.
Ik liep langs het water. Onderaan de kale berm, aan de zijkanten van de sloot, lagen brede stroken ijs. Vanuit een laatste plukje riet stapte een meerkoet parmantig het ijs op en zakte er onmiddellijk doorheen. Even snel sprong hij weer terug op de kant, schudde zijn poten één voor één uit en stapte terug het riet in.
Eenmaal bij de espressobar bekeek ik de fietsen die er tegen de zijmuur stonden aangestapeld. De mijne stond er niet bij. Zie je wel, gestolen, dacht ik, stiekem ergens toch wel opgelucht. Een mens heeft niet alles in de hand.
Op datzelfde moment begon het te sneeuwen, dikke vlokken zweefden traag door de stilte van het park naar beneden, bedekten de grond, de lege paden met de oude bladeren, het gras, de fietsen tegen de muur, mijn jas. Het was de eerste échte sneeuw van het jaar en heel even klopte alles, was alles zoals het op dat moment moest zijn.
18
Nov 10
Tien keer goed
Luisteren naar Seven Steps to Heaven van Miles Davis. Op de platenspeler.
Op blote voeten door de kamer lopen.
Een nieuwe pot pindakaas aanbreken.
Kijken naar hoe Vlaamse gaaien en ringbandparkieten elkaar de tuin uitvechten om een zakje pinda’s.
The Wire kijken. Zijn er echt maar vijf seizoenen? Echt?
Murakami lezen.
Espresso zetten – en het opdrinken.
De kat wakker maken met een aai over zijn kop en dan kijken hoe hij zich omdraait en weer in slaap valt.
Waarom heb ik ooit voor saxofoon gekozen en niet voor piano of trompet?
Sommige dingen zijn een mysterie voor me.
Middagdutje.
30
Oct 10
Kuieren
Ik had natuurlijk tegen iets kunnen gaan demonstreren, keuze genoeg op deze zaterdagmiddag in Amsterdam. Maar in plaats daarvan kuierde ik door het Westerpark, dat er verbluffend uitzag zo, in de vroege herfst. Waarbij ik graag wil aanmerken dat kuieren niet alleen een gewéldig woord is, maar ook een bijzonder aangename manier om het park te beleven.
In de sloot langs de volkstuinen peddelden waterhoentjes, meerkoeten en eenden kalmpjes rond. Quasi nonchalant pikten ze hier en daar wat kroosjes tussen afval vandaan. Boven hun hoofden vloog een helikopter rondjes, maar geen van het slootvolk sloeg er acht op, net zo min als de reiger, die het tafereel vanaf het dak van een schuurtje in een van de tuinen zat gade te slaan.
Ik stond even stil om naar de reiger te kijken en moest denken aan De Kuise Klauwaap. Portretten uit Artis, dat ik momenteel aan het lezen ben. Een van die portretten gaat over de leeuwenfamilie in Artis en daarin wordt beschreven hoe diverse stadsvogels, maar vooral reigers, met enige regelmaat ten prooi vallen aan Caesar en zijn harem van vijf. Gemiddeld eens per week gebeurt dat. Dat is vaker dan ik ingeschat zou hebben.
Deze reiger zat echter kalm en onbedreigd op dat dak van die schuur voor zich uit te staren. Beneden hem hupte een konijn voorbij. Ik kuierde verder.
Even verderop, bij de Westergasfabriek, stonden mensen in lange rijen voor de Affordable Art Fair. De mensen in die rijen zagen er opgewekt uit, en opvallend goed gesoigneerd.
In de watertuinen, aan de andere kant van het Westergasterrein, stonden moerascypressen schitterend in lichterlaaie en ineens bedacht ik me dat ik al in geen maanden meer jazz heb gehoord en plotseling kreeg ik daar enorm veel zin in, in jazz. Daarom kuierde ik naar huis, stak de open haard aan en zette muziek op van het soort dat erom vraagt belúisterd te worden. Buiten begon het alweer te schemeren. De helikopter was verdwenen.


