muziek


4
Jun 11

Het decor van de stad

Aan het eind van wat een schitterende zomerdag was geweest en aan het begin van wat zonder twijfel een schitterende zomeravond zou worden, begaven wij ons naar het Bimhuis: daar waar jazzmuzikanten thuis zijn.
Het is misschien niet de eerste plek waar ik aan zou denken bij een thuis voor jazzmuzikanten, die moderne glazen blokkendoos die als een dwarse pukkel uit het hyperhippe Muziekgebouw aan ’t IJ steekt. Zeker is het héél iets anders dan de clandestiene donkere krochten waar ik, mocht de noodzaak tot een jazzmuzikant zich aandoen, op zoek zou gaan. Maar toch. Het ligt in een van de meest inspirerende delen van de stad en het uitzicht over het IJ is er fenomenaal. Je krijgt er helemaal zin van om naar muziek te gaan luisteren.
Wij waren er in dit geval voor het kwartet van Diederik Rijpstra. In de pers is Diederik nogal eens omschreven als een ‘verhalende’ trompettist. (Ik denk overigens dat dat wel een van de mooiste dingen is die ze over je kunnen zeggen, als muzikant: dat je verhálen vertelt met je instrument.) Zelf ben ik er in ieder geval dol op, op verhalen. En hoewel ik niet gewend ben aan verhalen van het soort die níet met letters en woorden worden gemaakt, denk ik dat ik het inmiddels wel een beetje begrijp, van wat ze zeggen over Diederik. En heus niet alleen omdat hij stukken componeert over vieze, zweterige ijscomannen en over de kat van zijn geliefde, maar omdat, zoals dat gaat met goede verhalen, de avond ineens heel snel voorbij aan het gaan was.
Als om ons daaraan te herinneren, gingen, vlak voordat het concert ten einde kwam, de buitenjaloezieën van de concertzaal open en veranderde het decor achter de spelende musici in een waanzinnige openluchtbioscoop met beelden van een schemerende wereldstad. In dat decor lichtte de koperen gevel van Nemo zwijgend en groen op tegen die van de oude stad. Hier en daar sprong de eerste vroege straatverlichting aan. In de verte reden auto’s voorbij.
Op het spoor pal vóór het Bimhuis hield een trein stil voor het Centraal Station en ik dacht aan mezelf, zittend in die trein, op een late avond, niets anders verlangend dan zo snel mogelijk naar huis en dan die trein die vlak voor het station nog moet wachten tot hij erin mag. Mezelf, zittend in die trein, zonder te beseffen dat aan de andere kant van het spoor, in een blokkendoos van glas, muzikanten een hardhouten vloer staan te polijsten met tikkende, slepende, schuivende schoenen en te voeden met zweet en speeksel druipend uit blaasinstrumenten. Een wereld die níet op weg is ergens naartoe, maar die alleen bestaat op dat ene moment, tot het weer voorbij is.
Langzaamaan zette de trein zich weer in beweging en het kwartet zette haar laatste nummer in, 10 Rome Song, van een ijlheid waarvan de stad een allure kreeg van het droeve soort: al die mensen, op weg ergens naartoe, ze hadden geen idee. Aan de andere kant van het Bimhuis ondertussen, zakte de zon steeds verder weg in een skyline van hijskranen en kleurde het water van het IJ kopergoud.

10 Rome Song by Bimhuis


17
May 11

Zwemmen


4
May 11

Gwyneth, zangeres

Misschien komt het doordat ik een hekel heb aan het musicalgenre. (Zingen en acteren tegelijk, dat is, vind ik, als een gehaktbal met vissaus: hoe goedbedoeld ook, uiteindelijk kan nooit aan beide tegelijk evenveel recht worden gedaan. Less is more, doe gewoon eentje kiezen – en meer van dat soort gelegenheidsargumenten. Musicalliefhebbers uit heel het land spugen nu op het scherm en stoppen hier met lezen.)
Misschien komt het doordat ik een tijdlang weinig televisie heb gekeken en/of doordat er andere aangename dingen te doen zijn op de dinsdagavond. Misschien doordat ik nooit talent heb gehad voor het oppikken van heet shownieuws. Wie zal het zeggen?
Feit is dat het even heeft geduurd vóór ik de transformatie van Gwyneth Paltrow in de gaten kreeg. Gwyneth Paltrow de actríce, die na enkele eclatante successen het acteren een beetje beu was geworden en zichzelf nu ineens opnieuw heeft uitgevonden. Als countryzangeres! Met een deal van negen (9!) dollartonnen aanstaande.
Nu ben ik bij acteurs of actrices die de overstap wagen naar een zangcarrière doorgaans geneigd te denken: Patrick Swayze! David Hasselhoff! Don Johnson! Maar feit is ook dat ik onlangs, ondanks mezelf, als een blok ben gevallen voor de superhippe musicalserie Glee en dat Gwyneth daar gisteren voor de tweede keer een gastrol mocht vervullen als de blitse invaljuf Holly Holliday.
En daar komt dan nog eens bij dat een wijs man ooit tegen mij zei dat iedereen zichzelf in zijn of haar leven minimaal een keer of drie opnieuw zou moeten uitvinden. Gewoon, omdat dat fijn is. En daarom, omdat Glee supervet is én ik geloof in dingen die wijze mannen zeggen, breng ik hierbij graag bij u onder de aandacht… *tromgeroffel*


21
Feb 11

Groene vlokken

Voorzichtig schroefde ik de dopjes van de ventielen, zoals me onlangs was voorgedaan. Met een zachte plop trok ik de vier stemschuiven en ventielbuizen van het instrument. Bij het verwijderen van de drie ventielen markeerde ik hoe ze erin hadden gezeten, aangezien me was verteld dat het helemaal mis gaat als je die er verkeerd in terug stopt.
Vervolgens ging het instrument, samen met alle onderdelen, in een lauwwarm badje met soda. Verwachtingsvol keek ik of er al groene vlokken uit kwamen drijven, zoals me was voorspeld, maar dat gebeurde niet.
Toen alles weer helemaal droog en schoon was, zette ik de trompet weer in elkaar. Op de stemschuiven en ventielbuizen smeerde ik wat vet, zodat het weer lekker soepel liep. Op de ventielen druppelde ik olie. Toen ik klaar was, testte ik de soepelheid van de knoppen en blies een paar noten.
‘Nou, dat klinkt inderdaad enórm veel beter,’ zei geliefde, met een aanmoedigende glimlach.
Een slecht verstaander zou kunnen denken dat ze dat sarcastisch bedoelde, maar nee, zo zit mijn geliefde niet in elkaar. Zoveel weet ik wel.


5
Feb 11

Windmuziek

Februari bracht herfst en verpakte het als najaarsstorm. Aan de overkant van de straat schoven grote groene afvalcontainers als bladeren over de stoep, de weg op, waar automobilisten ze omzichtig omzeilden en de wind er vervolgens vrij spel mee had. Eens in de zoveel tijd stak iemand van het café de straat over en zette de bakken weer op hun plek, alsof het een spel betrof waarin iedereen om beurten dezelfde zetten deed en zo schoof een paar minuten later de eerste bak alweer richting stoeprand en werd het spel met de wind hervat.
Ook in het park stoof de herfst, van de losgeslagen toppen van de bomen tot vlak over de grond, in onze haren, rond onze benen. Een enkele hardloper knokte zich tegen de wind in, fietsers waren nauwelijks te bekennen. Het plantsoen aan het einde van het park was uitgestorven. Met de wind woestend rond ons hoofd liepen we erlangs.
Toen hoorden we muziek, verrassend. De klanken kwamen van verderop, werden door de wind meegevoerd als een lege plastic zak, verder het park in, voor iemand, wie dan ook, om ze te vangen en terug te brengen naar waar ze vandaan kwamen, óf om ze bij zich te houden en verder met zich mee te dragen.
Aan het eind van het plantsoen, onder een grote boom, op een stukje gras omzoomd door struiken, stond een man met een bugel, te spelen in de open lucht. Hij stond rechtop, met zijn gezicht naar de dikke stam die diende als klankbord, vóór de klanken in alle windrichtingen vervlogen. Hij speelde en hij speelde, helemaal alleen in dat lege park en juist omdat dat park zo leeg was, was het duidelijk dat hij daar maar speelde voor één persoon en dat was hij zelf. De rest van ons, toevallige passanten, vingen slechts restanten op, delen die ooit onderdeel hadden uitgemaakt van een geheel. Uit de wind vingen wij ze op en droegen ze met ons mee en weer verder, recht door het hart van de storm.

(Met dank aan JB, voor de Kytemantip.)